• Alles over de geschiedenis van Zoetermeer

    Afbeelding: Alles over de geschiedenis van ZoetermeerWelkom bij Oud Soetermeer! Hier vindt u informatie over de geschiedenis van de stad Zoetermeer. Via de werkgroepen kunt u onderzoek doen of daarbij worden geholpen. Hoe u lid kunt worden of aan de activiteiten kunt deelnemen, vindt u ook op deze site.
     
 
 

Cor Westgeest

U bent hier: home › Interviews › Cor Westgeest

Cor Westgeest (1999)

J.W. Dreise en mw. M.C.J. Moers-de Vree

Aan de Voorweg staat op nummer 176 de slachterij van de familie Westgeest. Een van de broers die in het bedrijf hebben gezeten was Cor Westgeest. Hij werd in 1919 geboren in het ouderlijk huis aan de Voorweg. Het beroep dat de heer Westgeest uitoefende, komen we vandaag de dag niet meer tegen. Hij was namelijk noodslachter. En wat dat inhield kan hij beter zelf vertellen:

Hoe het begon...

Dhr. Westgeest: ‘Mijn vader is met het slachten begonnen. Dat was achter in de poort bij Toon van Fraassen, daar had hij een slachthuisje. Nou ja, wat je dan een slachthuisje noemt. Het was meer een schuur. Later heeft hij dat spul aan de Voorweg gekocht. Mijn broer Jan en ik hebben het bedrijf van mijn vader overgenomen. Toen was het ge­broe­ders West­geest. Er waren in Zoetermeer twee noodslachters. Dat waren Van den Berg aan de Zegwaartseweg en wij aan de Voorweg. En in Benthuizen had je er ook twee, Nard Bos en Jaap Voorwinden. Die zijn allemaal weg, wij zijn alleen overgebleven. Want dat waren allemaal gemeentelijke slachthuizen’.

Noodslachtingen

‘Er was een verschil tussen een slager en een noodslachter. Een slager had alleen normale slachting en wij hadden beesten in nood. Dan werd je opgebeld: ‘Joh, ik heb een dode koe’. Of een dood varken, dat maakte niet uit, en dan ging je zo’n beest ophalen. Wij hadden zo’n hittekar met twee wielen en die zette je achterover, de kont van een koe erin en dan had je een boom ertussen, een touw er overheen en zo ging je dan met een dode koe op weg. Dat ging toen dag en nacht door.’

‘Er waren boeren bij die in het voorjaar soms zomaar vijf of zes dode koeien achter elkaar hadden. En dan ging je maar weer. Er waren ook zieke beesten bij. Kopziekte had je destijds veel. Dan zat er teveel eiwit in het gras. Zo’n koe werd dan helemaal gek. Ik weet wel van boeren dat ze ‘s morgens het land in gingen om de koeien op te halen, dan was het nog donker, en dan misten ze twee of drie koeien. Maar ja, het was stikdonker. Later op de dag gingen ze terug en dan lagen er twee of drie koeien in het water. Die waren verdronken. Ook door de kopziekte natuurlijk. Dan gingen ze boven de sloten staan van de benauwdheid.

Je hoort nu nooit meer wat van kopziekte, dat is een hoge zeld­zaam­heid. Dat was vroeger met de klaver net zo. Die koeien aten dan teveel klaver. Ze gingen daardoor helemaal opzetten van het gas. De boeren liepen dan met zo’n steekpen op zak en als ze zo’n opgezette koe zagen dan staken ze er gauw een gat in zodat het gas kon ont­snappen! Maar er waren koeien bij, die stikten er gewoon in. Derge­lijke dingen gebeuren nu niet meer.

Als je beesten had die nog normaal gekeurd konden worden, moesten ze naar de keuringsarts. In Zoetermeer was dat dierenarts Moer­kercken van der Meulen. Die man had het druk! Want al die slagers slachtten toen nog zelf. En Arie van den Berg en die noodslachters uit Benthuizen moest hij ook allemaal nalopen. Als ze gekeurd moesten worden, wilde Moerkercken die beesten dan levend zien. Kalveren bijvoorbeeld, werden vroeger nuchter geslacht. Dan ging je met een bakfiets met vier of vijf van die kalveren van de Voor­weg naar de Stationsstraat om ze te laten keuren. Vervolgens gingen we langs commies Dreise en dan werden ze gelood. Dat was accijns, daar moest je voor betalen, afhankelijk van gewicht en kwaliteit. Dan ging er een loodje aan de staart van zo’n beest. En daarna ging je weer terug want dan moesten ze nog geslacht worden. En als ze het niet eens werden over het gewicht, de kwaliteit en de prijs, dan werd die koe in beslag genomen.’

‘In 1942 is die keuring gestopt. Toen moest alles gescheiden worden, normale slachtingen en noodslachtingen. Dat mocht allemaal niet meer en sindsdien hebben wij thuis alleen de gehad. Later zijn wij in het slachthuis in Den Haag gaan slachten, voor het grossierderij­be­drijf.’

‘Wij slachtten toentertijd van alles: schapen, varkens, paarden, koeien. In het voorjaar als het lamtijd was kreeg je verschrikkelijk veel scha­pen. En in de biggentijd net eender met de zeugen, en in het najaar en voorjaar koeien en kalveren. Dan kreeg je de ongelukjes met het paard nog. Vroeger hadden de boeren allemaal zo’n zeven, acht paar­den. Nou, daar zijn er heel wat van gesneuveld hoor! Dan moest je het pad op en dan had je wel een hoop werk om zo’n paard te verko­pen want ze waren allemaal zo zwaar. Wij hadden een bak­fiets en wat je vroeger een brik noemde, dat was een bakkers­wagen geweest. Daar zat een bak op zal ik maar zeggen. Die bakker was ermee opge­houden en toen hebben wij die brik overgenomen. Dan deed je de klep open daar ging het vlees in. Dat moest toen nog met paard en wagen gebeuren. Maar ja, je ging die grote gezinnen af, die tien of twaalf kinderen hadden, en dan verkocht je soms tien of twintig pond vlees tegelijk want dat vlees was natuurlijk goedkoper. En als je zo’n klant had, nou dan wilde je wel. Dat was met schapenvlees ook. Bij sommige gezinnen kon je een half schaap kwijt. Dat ging dan bijvoor­beeld voor één gulden per kilo. Nou, dan was je blij toe want anders zat je ermee omhoog. Een diepvries waar je het even in kon doen had je toen nog niet. Dat vlees moest binnen zoveel tijd weg wezen. Het kon niet bewaard worden.’

Het slachten leverde uiteraard niet alleen vlees op. Wij waren zeer benieuwd wat er met de rest van het beest gebeurde.

‘De huiden gingen naar de huidenboer hè. Dat werd verwerkt in leerlooierijen. Wij hadden altijd een huidenboer in Delft. Je moest ze zelf brengen en dat deed mijn vader altijd. Soms mochten wij wel eens mee, als je een huid had die gauw weg moest. We hadden een transportfiets en dan gingen we naar Delft toe. Die huiden kon je niet bewaren, daar moest je ook weer plaats voor hebben, nietwaar! Dus je wilde ze kwijt en dan ging hij gauw met de transportfiets over de Middelweg even naar Delft. Maar ja, dan was het een hele vracht. Soms ook met de kar en de hit. Nou, nou, dan zat je te verrekken van de kou in de winter. Die paarden hadden dan stiften onder de hoef­ijzers, dat was voor de gladheid. De wegen lagen dan onder de sneeuw en zo. Maar ja, je moest die huiden toch kwijt hè. En ze brachten dan nog wat op. Dat wisselde per periode nog wel eens. De ene keer zus en de andere keer zo. Ik hoorde pas van iemand aan de Voorweg dat die schapenhuiden waardeloos waren. Nu worden ze geloof ik weer gebruikt.

Verder had je het slachtafval van de noodslachtingen. Daar had je weer mensen voor, die wilden de kop, de longen, het hart en de lever zal ik maar zeggen. Die mensen zijn er nog, die gewoon slachtafval willen. En je had misschien wel eens iemand die wilde een stel her­sens hebben. Maar dat ging meestal zo weg. En de tong werd wel gebruikt. Er waren mensen die graag die tong wilden. Ik weet nu nog wel mensen. Als ik een tong zou hebben, zouden ze zeggen: ‘Breng hem maar mee, alstublieft’. Het schijnt erg lekker te zijn als je hem goed bewerkt.

Huisslachtingen

Huisslachtingen hebben wij ook gedaan. Dat was natuurlijk slecht werk. Oh man slecht! Ik kwam meestal bij arbeidersmensen en die had­den geen ruimte om te slachten. Je stond buiten in wind en regen, of het sneeuwde en het vroor, dat maakte niet uit. We zijn wel bij men­sen geweest en dat was ieder jaar hetzelfde; het vroor dat het kraakte. Als je je mes neerlegde zat het gelijk vastgevroren. Vaak was het noodweer tijdens het slachten. Maar ja, je moest van de ene klant naar de andere. Dat was helemaal vol gepland. Maar eigenlijk spotte je met je gezondheid. Ik heb er fijn pleuris en longontsteking aan overgehouden.

Die varkens moest je gewoon doodschieten hè. Dat gebeurde met scherp. Daar hadden we een vergunning voor. Maar dat was wel ge­vaarlijk. We hielden het varken vast met een touw in de snuit, zal ik maar zeggen. Die hield je goed vast want af en toe deden ze hun kop opzij terwijl je schoot en dan ging het niet goed. Mijn vader heeft eens een noodslachting gedaan met mijn broer. Het varken deed z’n kop opzij en toen schoot hij door een ruit. Dat is gelukkig goed afgelopen. Maar Nard Bos uit Benthuizen heeft hetzelfde meegemaakt, maar die schoot zichzelf, de kogel weerkaatste. Ze hebben die kogel er nooit uit kunnen halen. Hij is jaren blijven leven met een kogel in zijn longen. Dat schieten mocht later ook niet meer. Toen zijn ze met dat penapparaat begonnen met een slaghoedje. Daar was geen gevaar bij, want dat was enkel dat penapparaatje.

Die varkens werden daarna met warm water gebroeid. Dan kon je de haren met een mes eraf schrappen. Anders kreeg je die haren er niet af. Dan moest er warm water gestookt worden met een ketel en dat moest een goede temperatuur hebben, niet helemaal kokend, maar toch tegen de kook aan. Mijn vader had een koperen ketel en die kwamen ze halen en dan werd er een gat gegraven en dan zaten die mensen een halve nacht te stoken om ‘s morgens warm water te hebben. Dat kreeg je dan emmertje voor emmertje om zo’n varken schoon te maken. Zo’n varken werd dan buiten op een ladder gehangen, dat was voor het verstijven. Dan gingen de ingewanden eruit en de huid eraf en dan ging je hem doorhakken. Maar dat ging allemaal met de hand met een hakbijl. Ja, daar was je lang mee bezig. En dat voor een rijksdaalder!’

‘Ik heb eens meegemaakt dat we een varken van een arbeider bij de boer gingen slachten want daar kon je uit de weg. Nou, toen dat varken klaar was, legde hij hem op z’n rug en bracht hem zo naar huis. Maar die wegen waren vroeger van koolas en laat die man toch dat varken voorover vallen! Dat varken zag eruit! Nou, dat vergeet ik nooit.

Later mocht er niet meer bij de mensen thuis geslacht worden en moest alles naar ons toe. Dan ging je de varkens halen in speciale hokken, want je mocht ze niet bij elkaar doen. Nou, dat was ook wat. Bij de Voorweg moest je zo’n bruggetje over met een varken. En, ik vergeet het nooit, bij iemand langs de Voorweg, ...wammes, dat varken in de vaart. Die vrouw huilen, want zij dacht: ‘Daar gaat mijn varken, daar hebben we het hele jaar voor gewerkt’. Maar hij kwam eruit. Ik wil maar zeggen, dan zat je te tobben. Nou man, je ploeterde wat af.

Vroeger had je varkens, die hadden een reep spek van zo’n tien centimeter dik. Dat was echt dat dikke spek. Er waren varkens bij van 500 pond. We hadden eens neefjes over uit Wassenaar en toen moesten we bij Arend van Santen in de Meerpolder een gecastreerde beer slachten. Dat waren knoerten van beesten, zo’n 600 pond. ‘Een beer slachten,’ nou dat wilden ze wel eens zien! En toen kwam dat varken te voorschijn. 'Het is maar een gewoon varken!’ En wij lachen. Ze dachten dat er een echte beer zou worden geslacht. Maar het was een gewoon varken, dat was maar niks.

De winkel

‘Je had goedgekeurd vlees en afgekeurd vlees en dan had je nog een tussenkeuring. Dat was voorwaardelijk en dat vlees verkochten wij in de winkel. Want dat werd allemaal onderzocht volgens de wet, dat was allemaal goed. Maar de kwaliteit was natuurlijk altijd verschillend. De ene keer had je wel eens een goede koe maar ook wel eens een magere. Maar dat vrijbankvlees moest door elkaar. Er was wel kwaliteitsverschil in vergelijking met een slager. Kijk, als je nu bij een slager komt en je wilt sukadelappen hebben dan moet je sukadelappen betalen. Wil je kogelbiefstuk hebben dan moet je kogelbiefstuk betalen. Maar dat was er bij dat vrijbankvlees niet bij. Er zijn wel noodslachters geweest, dat heb ik wel eens gezien, die grepen een mes en dan sneden ze alles door elkaar. Bij ons werd het eigenlijk allemaal net als bij de slagers gesorteerd. Maar er waren mensen bij die grote porties maakten, in de zak en weg. Het afgekeurde vlees moest vernietigd worden. In het begin toen de destructie er nog niet was, werden die beesten op de dijk aan de Voorweg begraven. Daar ligt wat begraven! Oh verschrikkelijk. Afgekeurde beesten en alles. Dan groef je een gat van een twee en halve meter diep. Maar dan ging er ook een partij in hoor! Dan moest politie Steenhuizen komen en dan gooide je peterolie over die kadavers heen en dan mocht het gat weer dicht. Door die peterolie voorkwam je dat het vlees werd opgegraven. Maar dat rook je wel, wat dacht je. En in de zomer kropen de maden uit de grond!’

De heer Westgeest is sinds 1977 zelf niet meer werkzaam in het bedrijf. ‘Het bedrijf is overgenomen door mijn neef Louis. Dat is inmiddels helemaal verbouwd, met zoveel licht en tegelwerk natuurlijk en weet ik wat allemaal. Met die eisen kunnen ze het ook wel eens te gek maken. Maar ik wil maar zeggen, dat daar naar gekeken wordt, is wel goed. Want er werd vroeger maar wat aangerommeld in een hoop dingen.’ Aldus Cor Westgeest.

 
 

Interviews